In tegenstelling tot Nederland waar ‘toerist’ toch een soort van schaamwoord is, wordt op de Duitse Waddeneilanden een zekere eer gelegd in zowel het gast zijn als het ontvangen van gasten, ook op Juist.

Er is voor iedereen een stek, van eenvoudig pension tot statig vakantiehuis. En mocht je nog twijfelen, het grote witte badhotel dat met zijn glazen koepel staat te imponeren op de boulevard laat er geen misverstand over bestaan: Laat je zorgen toch thuis, dit is een plek waar het leven wordt gevierd. Op de terugweg van mijn eerste verkenningstocht over het eiland neem ik de tijd het hotel van alle kanten te bewonderen, waarna ik straatje voor straatje de rest van het stadje verken.
Maria
Loop binnen in de Church of the Holy Arch Angels, een stil makend mooi kerkje met sobere modern aandoende inrichting. Een serie prachtige gestileerde beeldjes aan de muur verbeelden de kruisgang. Een betoverend mooi doopvont en een nog mooier Mariabeeld, en dan heb ik het nog niet gehad over de indrukwekkende glas in lood ramen. Het doet me denken aan het door Matisse ontworpen kerkje in Vence. In zo’n omgeving ga je vanzelf geloven, schiet me te binnen, variërend op Matisse die de vraag of hij in God geloofde beantwoordde met ‘Als ik aan het werk ben wel.’
Vertel me iets dat ik nog niet weet. In 1715 wordt Juist door een stormvloed getroffen waarbij een groot deel van het eiland waaronder de kerk van de kaart worden geveegd. Na deze stormvloed wordt gedacht dat het westelijke deel van het eiland de veiligste plek is. De inmiddels derde kerk van Juist en de nieuwe pastorie worden daarom op dit deel van het eiland gebouwd. Dit blijkt twee en een half jaar later een rampzalige vergissing. In de nacht van 24 op 25 december van 1717 woedt een van de zwaarste stormvloeden ooit langs de noordzeekust. Omdat het Heilige avond is bevindt een groot deel van de bewoners zich in de nieuwgebouwde kerk, velen komen om het leven, de nieuwe kerk en de pastorie worden zo zwaar beschadigd dat herstel niet meer mogelijk is.
Memmert
De volgende dag wandel ik verder waar ik gisteren ben omgedraaid, op naar de uiterste westpunt van het eiland. Een flinke en -eerlijk is eerlijk – af en toe ook een beetje saaie Duitse eilandwandeling: Kilometers rode klinkerweg, verboden om links af te wijken richting de kwelders, verboden om rechts af te wijken richting de duinen, om de vijfhonderd meter een kleine inham met een bankje. Als het fietspad eindelijk overgaat in een zandpad sta ik toch nog onverwacht op een smal strand waarop een bordje met een pijl: Memmert. Ik neem plaats op de grote houten ligstoel naast de pijl en haal mijn verrekijker uit de tas om Memmert, het onbewoonde eilandje aan de horizon eens rustig te bekijken. Mijn oog blijft vooral hangen bij grote zwermen zwierende vogels en moet nu ik hier zo lig denken aan een gedicht van Herman de Coninck:
‘Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt/ als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:/ je beide handen. Geuren lanterfanten door de tuin/ Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar/
in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig./ Hoe is dit liggen? Zoals je cognac afmeet door het glas/ horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf/ nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig’
Kaarsje
De verleiding om te blijven liggen is groot maar ik moet verder. Hoge klifduinen laten zien dat de zee hier deze winter flink tekeer is gegaan. Het pad neemt een shortcut, laat een grote zandplaat links liggen, de afstand tussen zee en duin wordt op zeker moment zo smal dat ik me realiseer dat je hier bij hoogwater helemaal niet kunt lopen. Hoe verder ik terugloop, hoe breder het strand, tot ik na anderhalf uur het hotel weer in het vizier krijg. Voor ik mijn kamer opzoek loop ik nog even het kerkje binnen en brand een kaarsje.
Vrroem
De laatste dag op het eiland -door de treinstaking heb ik een kostbare dag verspeeld- heb ik mijn zinnen gezet op de oostelijke punt van het eiland. Wanneer ik het dorp uitloop merk ik direct dat deze kant van het eiland stiller is. Waarom weet ik niet want het is hier minstens even mooi. Wandel door tot het vliegveld. Ieder half uur landt en en vertrekt hier een flying dokters achtige vliegtuigje, zij het niet met dokters aan boord maar met toeristen en andere mensen die op het eiland moeten zijn. Met tickets van vijftig euro zijn deze vliegtuigjes een serieuze concurrent van de veerboot die maar een paar keer per dag afvaart. Blijf een poosje staan kijken. Gebrom, vliegtuigje boven zee, vliegtuigje zet de landing in, vliegtuigje parkeert op de landingsbaan. Vrouwelijke piloot stapt uit, maakt een praatje met bekende, geeft een knuffel aan de hond, stapt tegelijk met twee schilders en twee toeristen weer in en vrrroem…. Daar gaat ze weer.
Achter het vliegveld begin het Natuurpad. Maar ik had het kunnen weten, dat blijkt in deze tijd van het jaar volledig onder water te staan. Op goed geluk bepaal ik een alternatieve route, met de uitkijkhut op het hoogste duin als oriëntatiepunt. Daar aankomen eet ik mijn boterhammen, en neem ik de tijd om rustig om me heen te kijken, de haven van Norddeich, buureiland Norderney, wat kun je vanaf deze plek veel zien!
Vertel me iets dat ik nog niet weet. Menselijke ogen kunnen lichtgolven van 380 tot 700 nanometer opvangen, dat is 0,0035 procent van het hele elektromagnetische spectrum. Ofwel, dramatisch gesteld: wij zien slechts 0,0035 procent van de werkelijkheid.
Veertje
Als ik een uurtje later in Norddeich op de anderhalf uur vertraagde trein zit te wachten, bedenk ik dat dit -de Halligen daargelaten- het eerste Duitse Waddeneiland is dat wat mij betreft echt kan concurreren met de Nederlandse. Ik leeg mijn jaszak; een oesterschelp, een bruine steen, een veertje.
Als ik de volgde ochtend anderhalf uur te vroeg met mijn rugzak bij de haven arriveer, snap ik dat omboeken naar een boot eerder er niet inzit, nergens ook maar een stroompje water te bekennen, het hele eiland ligt droog. Ik zoek een plekje achter de wind, wachten tot het water komt is geen straf. Wanneer de boot arriveert blijkt het geen boot te zijn maar een bootje. Stapten we de heenreis met vijfentwintig personen aan boord, nu is acht personen de max. Voor ik er erg in heb trekt de schipper de gashandel open en scheren we over het water.

